De geit (Capra hircus) is een evenhoevige (twee 'klauwtjes' per poot)  herkauwer en is nauw verwant aan het schaap. Waarschijnlijk werd de geit rond 7000 v. Chr. in Azië gedomesticeerd (tot huisdier gemaakt) en men beschouwt de bezoargeit (Capra aegagrus) als de stamvorm van de huisgeit.

De geit is als huisdier in alle werelddelen door de mens ingevoerd. Er zijn ongeveer 200 verschillende rassen ontstaan door selectie en specifieke fokkerij en werledwijd zijn er ongeveer 450 miljoen geiten. In Nederland waren er in 2004 ongeveer 282.000 geiten waarvan 168.000 melkgeiten. Aanvankelijk werd de geit in zijn oorspronkelijke droge leefongeving gehouden voor het vlees en de huiden. Veel later ontdekte men in Europa dat de geit ook in staat is om grote hoeveelheden melk te produceren. Deze melk, die een goede vervanger is van koemelk bij mensen met een koemelkallergie, is qua samenstelling vergelijkbaar met koemelk maar wel lichter verteerbaar.

Geiten kunnen zich onder sobere omstandigheden goed handhaven en werden om die reden vroeger door arme mensen gehouden als 'de koe van de armen'. Geiten eten graag gras, kruiden, groenten, plantenscheuten, bladeren en boomschors.

In de Middeleeuwen werd de geit vaak in verband gebracht met heksen en duivels. Zo werd de duivel dikwijls afgebeeld met bokkenpoten, een sik en kleine hoorntjes. Het onrustige karakter, de grote geslachtsdrift en de slechte geur die de bok verspreidt zouden hiervoor de mogelijke oorzaak zijn.

Voortplanting

De voortplanting van de geit is net als die bij het schaap seizoensgebonden. Aan het eind van de zomer en in het begin van de winter (als de -r in de maand zit) is de geit paringsbereid (bronstig) en in deze periode vindt de eisprong om de 18 tot 24 dagen plaats. De draagtijd is ongeveer 147 - 152 dagen en een geit krijgt meestal één tot drie lammeren.