Het schaap (Ovis aries) is een evenhoevige (twee 'klauwtjes' per poot) herkauwer en is rond 10.000 v. Chr. door de mens in het Midden-Oosten gedomesticeerd (tot huisdier gemaakt) voor de wol, het vlees en de melk. Ongeveer 6000 v. Chr. kwamen de eerste schapen naar Europa en in Nederland en België is men waarschijnlijk rond 3000 v. Chr. schapen gaan houden. Het schaap is een kuddedier en aanvankelijk trok de herder met zijn kudde rond om overbegrazing te voorkomen. Pas in de late Middeleeuwen is men het schaap op afgezette weiden gaan houden. Het hedendaagse schaap stamt af van wilde schapen als de oerial (Ovis vignei), de moeflon (Ovis gmelini) en de argali (Ovis ammon) en is nauw verwant aan de geit (Capra hircus).

Ten gevolge van gerichte fokkerij en natuurlijke selectie zijn er een groot aantal schapenrassen ontstaan. Uiteenlopende leefomstandigheden en de specifieke fokkerij op bepaalde kenmerken (veel wol, veel lammeren, goede grazers of veel vlees) heeft er toe geleid dat er in de loop der tijd bijna 1000 rassen zijn ontstaan!

 

 

Foto-reportage van de geboorte van een lam

 

 

Voortplanting

Het schaap heeft een seizoensgebonden voortplanting. Dit wil zeggen dat aan het einde van de zomer en tot het begin van de winter ('als de -r in de maand zit') de ooien bronstig worden en zich zullen laten dekken. In deze periode zijn de ooien ongeveer iedere 17 dagen bronstig. De draagtijd is gemiddeld 147 dagen (139-152) zodat precies in het voorjaar de lammeren geboren zullen worden. Afhankelijk van het ras zullen er één tot vier lammeren geboren worden met uitschieters naar vijf of zelfs meer.

 

Waarom hebben ooien aan het einde van het jaar vaak een rode, groene of blauwe rug?

 

Onderscheid wordt wel gemaakt tussen heideschapen en weideschapen. Heideschapen werden oorspronkelijk gebruikt op voedselarme 'ruige' gronden (heide en zandgrond) waar men overdag de dieren liet grazen om vervolgens 's avonds bij het opstallen de mest te verzamelen wat als op het land werd gebruikt. Met de komst van kunstmest zijn deze rassen voor dit doel eigenlijk overbodig geworden en worden nu voornamelijk door hobby-boeren gehouden. Voorbeelden zijn het drentse heideschaap en de schoonebeeker.

Weideschapen zijn ontstaan op voedselrijke gronden (klei) en worden onderverdeeld in rassen die gehouden worden voor het vlees (zoals de texelaar) en rassen voor de melk (zoals fries en zeeuws melkschaap).